Bedrijfshippie

Ik ben begonnen met een opdracht bij een niet nader te noemen bedrijf. Als interim HR Manager. Het bedrijf is hip, jong, in de groei. De cultuur is informeel. Komt er iemand binnen met een stropdas: dan wordt die bijna afgeknipt. Vanaf dag 1 voel ik me als een vis in het water. Mijn opdrachtgever zelf zit laag in ego en hoog in humor. Ik heb een enorme klik met hem. Door het HR team, dat al een tijdje ‘topless’ is, word ik met open armen ontvangen. Ze ploeteren al een tijdje. De organisatie vraagt veel, structuren en processen zijn er nog nauwelijks en HR moet onder meer de enorme instroom in goede banen leiden.

Mijn opdrachtgever, laten we hem Koen noemen, leidt mij rond. Het bedrijf heeft zo’n groeispurt gemaakt, dat hij zelf ook niet iedereen meer kent. In een van de kamers die wij langs gaan zitten twee belangrijke mensen, dat is te zien, daar wel een pak en een jurk. Zij zijn van een extern bedrijf. Een dame en een heer. Hun opdracht is om een van de afdelingen naar een hoger plan te tillen, daarvoor zijn al aardig wat stappen gezet. Ik stap in een rijdende trein.

Op de eerste dag zit ik met een van hen, laten we haar Monique noemen, aan tafel. Koen is er ook. Zij heeft een aantal voorstellen die het project ondersteunen voor zich liggen. Het voert te ver om hier de details uit te werken, maar het komt erop neer dat iedereen in de betreffende afdeling een andere functie krijgt. Salarissen worden met honderden euro’s opgehoogd. Er wordt een voorstel gedaan voor variabele beloning. Flinterdun, maar wel duur. Iedereen kan bijna de helft van het jaarsalaris bijverdienen op basis van behaalde prestaties. Koen noemt haar gekscherend Sinterklaas.

Ik ben nog onbevangen. Recht toe recht aan. Ik heb verstand van mijn vak en handel altijd in het belang van mijn opdrachtgever. Ik heb een hekel aan politiek, dat heb ik door schade en schande ontdekt. Enfin, op de mij bekende wijze uit ik mijn verbazing over de plannen. Niet over de onderwerpen, maar over de uitwerking. Het tempo. De inhoud. Nogmaals, flinterdun is het. Ik kan het goed onderbouwen. We besluiten om de hele zaak op te schuiven. Het goed uit te werken, te zorgen dat er eerst een goed ritme komt in de bedrijfsvoering. Koen is blij met mij, ik heb al binnen een paar dagen mijn toegevoegde waarde laten zien. Monique is minder blij.

In een volgende meeting waarin het project besproken wordt, is de collega van Monique, laten we hem Eric noemen, voorzitter. Het is mijn vijfde werkdag. Ik weet nog niet veel, ben nog aan het inwerken en probeer alles te begrijpen. Eric richt enkele keren het woord tot mij in de meeting. Niemand die het doorheeft, maar ik word duidelijk op de mat gelegd. Eric laat even zien dat die van hem groter is dan die van mij. Ik ben daar niet mee bezig. Koen ziet het aan, hij herkent het. Wat ik zei, laag in ego. Fijn. Ik weet de prikken van Eric goed te doorstaan. Met wat verstandige opmerkingen, humor, of soms door gewoon te zeggen dat ik het niet weet. Eric krijgt geen vat op mij.  

Eric is een beetje een zijig type. Hij vraagt om de klip klap: “wat heb jij nodig om …..”. Ik krijg daar de bibbers van. Ik zoek hem op, op de bedrijfssite van het externe bedrijf. Hij is aandeelhouder. Het kwartje valt. Eric neemt zijn opdrachtgevers mee ‘op veranderreis’ met als doel resultaten te behalen. Hij doet dat als ‘bedrijfshippie’. Deze hippie stuurt rekeningen van 1.500 euro per dag. Per persoon. De bedrijfshippie is gewoon een boef.

Ik zie in de drie weken dat ik daar werk niet veel goeds van deze firma. Zeker niet van Monique. Zij zou de manager van de afdeling moeten zijn, maar maakt er een potje van. Er zit geen ritme in, ze rijdt andere afdelingen in de wielen. Ik escaleer dit bij Koen. Hij herkent het. Stelt de waarom vraag en spreekt Eric aan op het functioneren van Monique. Mij wordt gevraagd om haar hierop aan te spreken, vanuit mijn discipline.

Monique laat een gereformeerde glimlach zien als ik haar aanspreek op het feit dat ze bij herhaling collega’s frustreert. Dat dat niet nodig is. Ze geeft onbevredigende antwoorden. Weet het gesprek zo te draaien dat het bijna mijn omissie lijkt. Met haar mededeling dat we ‘geen oude koeien uit de sloot moeten halen’ en dat zij een belangrijke meeting dreigt te missen, sluiten we af. Geen vat op te krijgen.

Koen is niet tevreden en van mening dat er iets moet gebeuren. Hij stelt de volgende dag haar functioneren aan de orde. Bij Eric en bij de andere eigenaar van het ingehuurde bedrijf, laten we hem Henk noemen. Er moet in ieder geval met Monique worden gesproken. Zij meldt zich vroeg in de ochtend bij Koen. Huilend. Geeft aan dat zij het gesprek niet aankan. Koen praat met Eric. En met Henk. Zo gaat het een tijdje heen en weer. Ik word er ook in betrokken. Koen staat die ochtend met enige regelmaat te briesen in mijn kamer. Ik adviseer hem om Monique te laten vervangen. Zij functioneert aanwijsbaar niet. Koen vindt dat lastig.

Uiteindelijk wordt besloten dat Monique aanblijft en dat Koen zelf een aantal taken van haar gaat overnemen. De belangrijke taken. Om te zorgen dat de zaken blijven lopen. 1.500 euro per dag. Per persoon. De boel vakkundig verprutsen en niet inzien dat de opdrachtgever ontevreden is. De verhalen zo draaien, dat uiteindelijk tot de conclusie wordt gekomen dat er sprake is van ‘ruis’.

Ik moest daar even over nadenken. Steek mijn mening over het algemeen niet onder stoelen of banken, maar heb wel geleerd in te zien of er wat valt te winnen. Ik hou me gedeisd, voor zover dat gaat.

De aap komt uit de mouw. Henk, de collega van Eric, is de coach van Koen. Hij weet alles van Koen. En meer. Zo is Henk natuurlijk binnengekomen bij het bedrijf. Koen heeft zijn nek uitgestoken bij de eigenaar van het bedrijf. Bijna 40.000 euro per maand, voor de rest van het jaar. En dan instaan voor de kwaliteit. Die achterwege blijft. En dat blijkt precies op het moment dat ik start. Ik heb niet de wijsheid in pacht, maar het project begon te schuiven en ik doorzag het. Ik heb de bedrijfshippie ontmaskerd.

Wat mij betreft steekt een enorme rode vlag op. Ik besluit om mij terug te trekken op mijn schaars bewoonde HR eiland. Genoeg te doen daar. Laat de prutsers maar prutsen. Als ik niet oppas, heb ik het straks gedaan.

Wat een showstopper. Zo’n leuk bedrijf. Dat wordt geplaagd door een stel invloedrijke mee-eters.

Wordt vervolgd.

In therapie

“Kan ik daar niet voor in therapie?” Dat vraagt mijn zoon van 15 aan mij. Er gingen een paar weken van discussies, duwen en trekken aan vooraf.

4 HAVO. En hij is slim. En puber. Dat betekent dat hij er weinig voor hoeft te doen en doet, voor school. Hij is niet vervelend. Hij is een kuiken, in de huid van een grote vent. Een jonge leerling die ingehaald wordt door de jongens van 6 maanden ouder. En door zijn eigen lichamelijke ontwikkeling. Groot voor zijn leeftijd. Hij slaapt nog met muis. Er is geen zicht op dat muis plaats moet maken voor meis.

Ik ben er blij mee, hij kan nog zijn hele leven achter de meisjes aan.

Enfin, de periode die vooraf ging aan het verzoek om therapie. De toetsweek kwam eraan, de resultaten tot dan toe op zijn derde rapport waren op zijn zachtst gezegd beroerd. Ik begon maar eens met het functioneringsgesprek. Een open gesprek waarin ik vraag hoe hij zelf denkt dat het komt. Want zelf weet ik dat al. Er wordt niet gewerkt. Of niet hard genoeg. Motivatie is ver te zoeken, afleiding galore!

Hij moest lachen. “Ik heb er gewoon geen zin in”, zei hij. Wel een eerlijk antwoord. En ik kan het me ook zo voorstellen. Een kuiken in een grote klas, verloren. Een ongemotiveerde leraar. Het is natuurlijk ook niet cool om je best te doen, om belangstelling te tonen. Als je dat al zou willen (en de belangstelling is er zeer zeker), dan wordt dat wel gehinderd door je vrienden van 6 maanden ouder. De grotere kuikens.

Ik geef aan dat geen zin hebben achter de deur staat. Dat hij zich moet schamen, met zo’n goed stel hersens. Dat ik het me wel kan voorstellen, met vriendjes die het ook allemaal net halen. Maar dat er ook kinderen zijn die er keihard aan moeten trekken om net die voldoende te halen. Kinderen met problemen thuis, ook. Dat hij zich ook wel gelukkig mag prijzen met zijn omstandigheden, zijn bagage.

Hij geeft mij gelijk en belooft plechtig dat hij de toetsweek goed zal maken.

Ik hou mijn hart vast. Hou hem op een afstandje in de gaten. Wat hij doet, hoe hij plant. Dat hij niet denkt dat plannen hetzelfde is als feitelijk doen, die vergissing kennen we al.

De toetsweek is daar. Hier en daar een uur, dan is hij alweer thuis. Het is een wonder. Met zessen en een kleine zeven heeft hij zijn derde rapport redelijk op orde, maar belangrijker nog, zijn huidige eindlijst laat zien dat hij gewoon over kan met dit rapport. Ik geef aan dat hij naar mijn mening een wonder heeft verricht. Hij moet lachen. “Zie je wel, Moet?” Hij is trots, want de ambitie is er wel, gelukkig. En we zijn niet gebeld door de mentor, ook een goed teken. Hij kon minstens drie vrienden noemen die wel waren gebeld door de mentor. Dus zo beroerd gaat het nog niet.

De enige toets die hij verprutste is die voor economie. Een 3,7. Hij mag hem inhalen. Ik raad hem aan om in de tien dagen voor de inhaaltoets, iedere dag de stof even door te nemen en te oefenen, zodat hij in ieder geval tempo kan houden bij het maken van de toets. Dat is namelijk het probleem. Hij snapt het, maar doet er te lang over.

Zo gezegd, zo niet gedaan natuurlijk.

Er wordt een nieuw computerspel aangeschaft, dag in dag uit hangt hij boven in zijn kamer voor een computerscherm. Dag in dag uit waarschuw ik hem dat zijn planning in gevaar komt en wijs ik hem erop hoe fijn het zou zijn om een dikke voldoende voor de inhaaltoets te halen. Daarmee haalt hij al zijn cijfers op.

Twee dagen voor de toets begint het kwartje te vallen. De avond voor de toets is het laat. Heel laat. Bijna middernacht. “Moet jij niet naar bed?”, vraag ik. “Nee, ik ben nog bezig, anders red ik het niet, met de toets”. Ik kijk hem met een veelbetekenende blik aan en zeg hem dat mijn advies om bijtijds te beginnen misschien best een goed advies was. Hij moet dat beamen. Ik vraag waarom hij dat dan niet opvolgt. Iedere dag een kleine portie, dat is goed te doen, dan kun je daarbij ook nog gamen en voetballen.

“Ja maar Moet, ik weet niet waarom ik dat niet doe. Kan ik daarvoor niet in therapie?” Ik rol van de bank van het lachen. Hij ziet er zelf ook de humor van in. “Therapie? Niks therapie. Gewoon een keer naar je moeder luisteren, dat zou een wereld van verschil maken”, zo reageer ik. Hij weet dat ik gelijk heb en gaat toch maar naar bed.

“Het was zwaar”, zegt hij de volgende ochtend bij thuiskomst na de toets. Ik weet genoeg.

De buurvrouw

Ze staat ineens voor de deur. De buurvrouw van de overkant. Met het ontwerp van haar tuin en haar mobiele telefoon in de hand. Duidelijk klaar om een bakkie te komen doen. “Ik wilde je even laten weten dat het een houten muur wordt” , zegt ze. “De gemeente doet zo moeilijk over een stenen muur, het duurt nog maanden voordat ik toestemming krijg en het kost me bakken met geld”.

Ze wil het me laten weten, omdat ik aan de overkant woon en er tegenaan kijk. Een houten muur. Dat is toch gewoon een schutting? Hetzelfde als er nu staat, maar die is volledig begroeid met klimop en daardoor wordt de hele boel omver getrokken.

Ik zeg het maar niet, van die schutting. Het moet een muur zijn, dat is belangrijk voor de buurvrouw. Voor het plaatje.

Het is de buurvrouw van de overleden man. Ik heb al jaren echt goed contact met deze mensen. Met hem iets meer dan met haar. Hij was oprecht geïnteresseerd, luisterde, adviseerde en bovenal had hij een ongelooflijk gevoel voor humor.  Vaak flauw, meestal raak. We hadden een klik.

Zij kakelt erop los. Staat op zenden, niet op ontvangen. Ze heeft zo haar frustraties. En verdriet. Over het gezin waarin ze opgroeide, haar ouders. Het gipsbed waarin ze als kind langdurig moest liggen vanwege een rugafwijking. Haar Schoevers opleiding terwijl ze eigenlijk had willen studeren. Psychologie. Of iets met Design. Het feit dat ze eigenlijk geen kinderen konden krijgen. Een het toen toch lukte. Twee jongens met een groot leeftijdsverschil.

Ze hebben het goed. Financieel. De kinderen komen niets tekort. En doen ook nooit iets fout. Het is een plaatje. Voor de buitenwereld. Ik weet beter. Hij praat met mij. Zij ook. Met elkaar praten ze niet. Al heel lang niet. Ze deden elk erg hun best. Voor het plaatje.

En plots is hij uit het plaatje weggerukt. En is alles anders.

In de verdoofdheid van het verdriet en de onmacht de eerste maanden na zijn overlijden heb ik zonder mijn eigen grenzen te bewaken haar alle hulp aangeboden en heeft ze een onnoemelijk beroep op mij gedaan. Van hele praktische zaken tot emotioneel ingewikkeld. Dat laatste betrof vooral de kwestie oudste zoon. Die samenwoont met het buurmeisje van verderop. Hij heeft dat bijna een jaar geheim gehouden. Durfde het niet tegen zijn ouders te vertellen. Want het zou het plaatje bederven. Het meisje is verwend, het gezin is te bekend. We hebben er allemaal een mening over. Niet al te positief. Maar de liefde heeft zijn weg gevonden.

De buurman was woest, toen hij hoorde van de verkering. Het verzet was groot. De buurvrouw ging schipperen. Om het plaatje kloppend te krijgen. De contouren begonnen zich af te tekenen. Er stonden wat gezamenlijke activiteiten gepland. Het bekende patroon. Binnen een paar maanden “zou het toch zo’n leuk meisje zijn”. Het plaatje.

En toen viel hij weg. En de geschetste contouren ook. Ze was verloren. Met de zoon maakte ze ruzie, het meisje was niet meer welkom, de moeder van het meisje wilde ze niet meer zien, nergens, “want zij was het kwade genius achter het hele verhaal”.  In het testament wordt het meisje met naam en toenaam genoemd. Niet positief. Het meisje is 18 jaar.

Ik heb geprobeerd nuances aan te brengen. Tevergeefs. Zenden en niet ontvangen. Enkele keren heb ik met de moeder van het meisje een kop thee gedronken. Gesproken over alles wat er gebeurd was. Over de heftigheid van de reactie.

De buurvrouw is daar achter gekomen en is mij gaan bestoken met Whatsappjes. Over dat ik onbetrouwbaar was. Dat ik ineens anders dacht over bepaalde mensen. Of ik kon uitleggen waarom dat was. Dat ik veel voor haar gedaan heb, maar dat ze het moeilijk vond om mij nog te vertrouwen.

Via de Whatsapp. We wonen 15 meter bij elkaar vandaan.

Na enkele weken geen contact ben ik met haar het gesprek aangegaan. Heb aangegeven afscheid te nemen van het contact dat we hadden. Dat we elkaar nog wel gewoon kunnen begroeten, maar dat het verder over is. Zij had dat ook al bedacht. Natuurlijk.

Enkele weken geleden week stopte ze wat tijdschriften in de brievenbus. Net als vroeger. En nu staat ze voor de deur. Nerveus. Met de tekening van de nieuwe tuin in de hand. Ze wil duidelijk weer contact, ik wil het houden bij een vriendelijke groet.

Ik bedank haar voor de melding, zeg gedag en sluit de voordeur. Stel vast dat het me niets meer doet. Ik heb geen haakje meer in mijn buik. Het was goed om afscheid te nemen.

Ik denk aan de houten muur die een muur is, geen schutting. Voor het plaatje.

Paniek

Eind september. Het is een prachtige najaarsdag. Gewoon zomer. Zoonlief is bij zijn vader, ik heb het rijk alleen.

Ik lig in de tuin, op mijn makkelijke stoel. Zo’n stoel die je achterover drukt waardoor je een soort van zweeft. De laagstaande zon prikt op mijn wangen. Een geluksmoment.

Er wordt aangebeld. Ik heb een bel aan een touwtje. Aan de buitenkant trek je aan een knop, binnen rinkelt een ouderwets belletje. Het hoort bij mijn jaren ’30 huis. Zo’n detail waar je op kunt vallen als je een huis voor het eerst ziet.

Degene aan de andere kant van de voordeur blijft aan de bel trekken, voortdurend. Duidelijk paniek. Of een geintje van een goede vriendin, die weet dat ik graag uitslaap en mij wel even te pakken zal nemen op de zaterdagochtend. Met een mengsel van nieuwsgierigheid en irritatie doe ik open. Achterlijke haas die zo aan de bel trekt, straks gaat ie nog stuk.

Het is de overbuuf. Volstrekte paniek. Ze komt nauwelijks uit haar woorden. Ik schrik. Hortend en stotend komt het eruit: haar man is op het voetbalveld in elkaar gezakt en nu zijn ze hem aan het reanimeren. Haar man. Een goede vriend, een goede buur. Ik schrik me kapot, moet snel schakelen. Wat is er precies gebeurd? Wat moet er gedaan worden? Waar is de jongste, van 13 jaar? Ik vraag haar om even binnen te komen. Dat kan niet, zegt ze, haar oudste zoon is onderweg.

Ze drukt mij een sleutel in de hand, dan kan ik het hondje ophalen als dat nodig is later. Als het lang gaat duren allemaal. Ik probeer haar een beetje tot bedaren te brengen. Dat lukt niet. Ik loop met haar mee, heen en weer van mijn voortuin naar haar achtertuin, aan de overkant. “Verdomme, waar blijft hij dan, hij kan toch wel opschieten?”. Over haar zoon, die zich waarschijnlijk kapot geschrokken is en er alles aan doet om snel bij zijn moeder te zijn. De minuten kruipen voorbij. Ze wordt gebeld op haar mobiel, komt niet uit haar woorden. Ik krijg de telefoon in mijn handen gedrukt. Een van de andere moeders aan de telefoon. Ik vraag wat er aan de hand is. Hij is niet goed geworden op het veld, tijdens de wedstrijd van zijn jongste zoon. Er is direct adequaat gehandeld, er wordt gereanimeerd, de ambulance is in zicht. Ik vraag waar de jongste is. Hij wordt opgevangen door een van de andere moeders. We hangen op. Ik ben er niet gerust op.

De oudste zoon komt eraan, met zijn vriendinnetje, een buurmeisje van verderop. Hij ziet ijselijk wit, schrikt zich kapot van zijn moeder. Ik kijk hem aan. Zeg dat het er niet goed uitziet met Papa. Ik geef hem het nummer van de moeder die ik aan de telefoon had en zeg dat ik vanuit huis de zaken zal opvangen. We houden contact, zo spreken we af.

Ik bel gelijk de andere buurvrouw, de moeder van het vriendinnetje. Zeg wat er gebeurd is. Ze reageert adequaat. Stapt in de auto om naar het ziekenhuis te gaan om daar de boel op te vangen. We spreken af dat we contact houden.

Wat een bizarre wending van deze mooie zaterdagochtend. Ik ben nog niet aangekleed. Eerst dat. Snel. Kop onder de kraan. Ik schiet iets makkelijks aan. Met een vest. Ondanks de mooie warme dag ben ik nu koud van binnen. Ik bel mijn moeder over het gebeurde en vraag of zij kan komen om op het hondje te passen. Ik wil graag klaar staan om naar het ziekenhuis te gaan.

Ik ga naar de overkant. Er hangt nog een klein wasje buiten. Onder andere zijn lichtblauwe polo. Vol in het zicht als je de tuin in loopt. Ik haal de was van de lijn, ruim de droogmolen op. Intussen vliegt het hondje blaffend heen en weer achter de schuifpui. Hij heeft de paniek gevoeld, is blij om mij te zien. Ik pak hem en zijn uitzet op en neem alles mee naar mijn huis.

Moeder is inmiddels gearriveerd. We drinken koffie, praten wat tegen de hond en wachten verdere berichten af. “Het ziet er niet goed uit” zo leest de eerste Whapp van de andere buurvrouw. “Heftig hier hoor” zo leest een volgende Whapp.

Uiteindelijk komt het telefoontje. “Hij heeft het niet gehaald, hij is overleden. Ze zou het heel fijn vinden als je komt”. Ik vraag of ik nog iemand op de hoogte moet brengen.

Haar broer, hij woont vlakbij.

Ik bel hem op. “Ik heb een tragisch bericht ….” Bizar, dat je iemand moet bellen met zo’n bericht. We spreken af dat hij me komt halen, we gaan samen naar het ziekenhuis.

Daar ligt hij, in de familiekamer. Hij is grauw, grijs, je ziet dat hij niet kalm is heengegaan. Er is duidelijk strijd geleverd. De striemen van het zuurstofapparaat zijn nog zichtbaar op zijn gezicht. In zijn hals is een wond zichtbaar. Later hoor ik dat ze daar een infuus hebben ingebracht.

Ze zit aan het hoofdeinde. De jongste zoon op schoot. In zijn voetbaltenue. Kousen iets afgezakt, schoudertjes ook. Ze zijn ontroostbaar. Boos ook. Hij hield er een heftige levensstijl op na. Roken, teveel eten, overgewicht, weinig bewegen, keihard werken. Hij was niet zuinig op zichzelf, had al een paar keer een waarschuwing gehad.

We overleggen. Zijn moeder moet op de hoogte worden gebracht. We spreken af dat ik blijf, broer en buurvrouw gaan naar Oma om haar te informeren en op te halen.

Het is hartverscheurend als Oma binnenkomt, een uur later. Daar ligt haar zoon. “Dit is niet eerlijk”, zo huilt zij. Ze knuffelt hem, zit aan de andere kant van het hoofdeinde.

Aan het einde van de middag nemen we voor de eerste keer die week afscheid van hem. Hij gaat naar het mortuarium, wij gaan naar huis. Op weg naar de parkeergarage onder het ziekenhuis geef ik Oma een arm. Ze is kapot.

We gaan naar huis, mijn moeder is er nog, ze heeft net het hondje nog eens uitgelaten. Ik ben murw, moe, besef nog nauwelijks wat er gebeurd is.

We stappen in de auto. Zijn auto staat nog in Spakenburg, waar hij ’s ochtends met een paar jongetjes heen reed om de wedstrijd te leiden. Ik wil niet dat de auto daar een nacht staat. Het schemert als we in Spakenburg aankomen. Zijn BMW is nog maar een van de auto’s die er staan, bij de voetbalclub. Ik vraag mijn moeder om even te wachten of ik de auto wel gestart krijg. Dat lukt. We rijden achter elkaar aan, terug naar huis. Ik hou het niet droog. In de auto speelt ‘Keep your head up, keep your heart strong’. Een deel van de tekst zou gebruikt worden voor de rouwkaart. Het zou het themanummer worden van de begrafenis ruim een week later.

Ik zet de auto op de oprit en ga naar huis. Het is even genoeg geweest, ik laat de familie met elkaar.

De volgende dag zou hij 52 worden. 

Galafeest

Hij heeft galafeest. Voor het eerst van zijn leven. “Wat is de bedoeling dan, op zo’n galafeest?” Vraag ik. Nu de tradities in hoog tempo verdwijnen uit mijn wereld naar nieuwe tradities in de wereld van mijn zoon, lijkt me dat een legitieme vraag.

“Ja, weet ik veel” krijg ik als antwoord. “Iets met een pak”. OK, dan moeten we een pak regelen.

Ik ga voor traditioneel, dat is altijd goed. Dus een smoking met alles erop en eraan. Een goede vriendin heeft gezegd dat ze er nog een heeft hangen. Keertje aangeschaft toen haar jongens nog jonger waren. Nooit door hen gedragen, want in hun tijd werd dat niet gedaan, gala op de middelbare school. Nu ze studeren moeten ze in rokkostuum. Terreur van het studentencorps. Toe maar.

We maken een afspraak om te passen. Wat zelfbewust loopt hij de gang op en komt veel, (te veel) later aarzelend terug de keuken in. Het is een driedelige smoking. De broek zit goed, is iets te lang, maar dat is op te lossen. Het gilet zit goed. En verborgen onder het jasje. Het jasje is een struikelblok. De maat is goed, maar het model stamt ver uit de vorige eeuw. Jaren ’80? Brede snit, grote schoudervullingen. Jerommeke zou ermee naar een filmpremière kunnen. Ik kijk door mijn oogharen naar mijn zoon van 15. En stel vast dat het goed genoeg is. Waar hebben we het over, een galafeest voor de middelbare school. Het is donker, iedereen danst en zweet. Brede schouders. Who cares.

We leggen het pak voorzichtig in de auto, bedanken voor deze gulle gift en gaan naar huis.

De datum voor het feest nadert. “Moet, dat pak wat we hebben vind ik echt niet mooi hoor. Het is te groot en te breed”. Moet, zo noemt hij mij. Vraag me niet hoe dat zo komt.

Eerst beginnen de zorgen over het pak aarzelend, in de loop van de week nemen de kritische opmerkingen toe. Ik snap het. 15 jaar en middelbare school gala. We hebben het over een zelfbewuste, iets onzekere puber. Hier en daar een pukkel (tot nu toe komt hij goed weg), zijn bovenlip moet steeds vaker geschoren worden. Hij krijgt al echt zo’n turkensnorretje als hij te lang wacht. Op vakantie zonder scheerspullen is er niet meer bij.

Een jongen die, als hij allang in bed moet liggen, nog buikspieroefeningen op de grond in zijn slaapkamer doet. En daarna de armspieren, want weet je hoe belangrijk die biceps zijn? Een jongen die zich iedere keer als hij door de deur van de woonkamer loopt, omdraait om, zijn buik ingehouden, in de spiegel achter hem te kijken. Hoe mooi hij is. Al weet hij dat zelf nog niet.

Ik neem een besluit zoals ik dat kan. In een split second. Ik zoek op internet naar het meest dichtstbijzijnde verhuurbedrijf. Dat is vlakbij. Zo’n wereld waarvan je het bestaan niet weet.

Het is een mooie dag. We gaan met de auto, want de smoking moet zorgvuldig vervoerd worden. Op een klein bedrijventerrein, naast de Kringloopwinkel, is de kostuumverhuur gevestigd achter een grote rode garagedeur. Aan de buitenkant is niet te zien welke wondere wereld zich achter de grote rode deur bevindt. We worden bij binnenkomst vriendelijk begroet. “U komt voor een smoking voor hem?” wordt vriendelijk gevraagd. We moeten even wachten, we gaan vast naar boven.

Hoe weten ze dat? Gala op een grote middelbare school in de omgeving. Er komen 430 kinderen. Duh.

Even later worden we geholpen. We willen alles erop en eraan. Te beginnen met het smokinghemd en de broek. Hij weet zich geen houding te geven en verdwijnt in de paskamer. Na enige tijd (waarom doen pubers zo lang over alles?) komt hij tevoorschijn. De metamorfose is begonnen. De manchetknopen en de strik worden aangemeten. Nu het jasje. Lang verhaal kort: mijn mooie zoon ziet eruit als James Bond. Jeetje, wat een spetter! Ik heb er een beetje een brok van in mijn keel. Van romper tot pak: hij droogt zo leuk op!

Nu nog zien dat ik hem in een paar zwarte lakschoenen krijg. Dat wil hij niet, lakschoenen. De mevrouw en ik leggen hem uit dat het hoort. Hij sputtert nog tegen, hij heeft toch nog van die mooie slangenleren schoenen thuis? Ik zeg dat we ze gewoon meenemen en dat hij altijd nog kan bepalen wat hij doet.

Zo gezegd zo gedaan. We gaan naar beneden, alles wordt keurig ingepakt. Ik reken af. We lopen naar buiten, we zijn nog niet bij de auto of ik hoor achter me: “Dank je wel Moet”.

Hij is blij. En dankbaar. En hij ziet er, met lakschoenen en al fantastisch uit op zijn eerste galafeest!

Dat is voor altijd een herinnering. Voor ons allebei.

11 april 2015